Een zware maar indrukwekkende voettocht

Er loopt een oeroude weg van 2200 kilometer dwars door Europa van Stade bij Hamburg in Noord-Duitsland naar Rome. Wie hem in zijn geheel wil lopen of fietsen kan dat doen in 94 etappes: 44 in Duitsland, 4 in Oostenrijk en 46 in Italië.

De weg is enkele jaren geleden uit oude archieven gehaald en omgetoverd tot een boeiende hedendaagse pelgrimsroute. Veel informatie is te vinden op de website van de Associazone Via Romea Germanica.

Riet en ik hebben het routeboek van het parcours in Italië aangeschaft bij reisboekhandel Pied a Terre in Amsterdam en we zijn onder de indruk van de verscheidenheid aan regio’s, landschappen en weggetjes waar we langs zouden lopen.

De beslissing is dan ook niet moeilijk: we gaan die weg bewandelen! We hebben zes weken tot onze beschikking. We besluiten om te starten in Innsbruck, omdat dat makkelijk is aan te vliegen met Transavia. Daar begint onze tocht naar Rome. Die afstand is op de Via Romea 1000 kilometer. Maar in zes weken lopen wij geen 1000 kilometer. We besluiten dus om ergens onderweg een paar keer een trein te nemen, zodat we tóch in Rome kunnen aankomen. We hebben namelijk al veel gelopen in Italië en eventuele dubbelingen kunnen we mooi vervangen door de trein.

Op woensdag 18 juni 2017 lopen we om 06.00 uur ons AirBenB in Innsbruck uit en zetten koers naar de Brennerpas. Een niet al te hoge Alpenpas van 1375 meter, die we in twee dagen bereiken. Het is een mooie route door velden en bossen, langs riviertjes en paadjes met steeds de besneeuwde alpen op de achtergrond. Kalenderplaatjes! De zon schijnt en het is 25 graden. Hoe mooi wil je het hebben. Soms moeten we improviseren als het pad overwoekerd is of afgesneden door tunnelwerkzaamheden. Dankzij het via kml gedownloade lijntje van de hele route in mijn mobieltje is het makkelijk alternatieve paadjes te vinden. We switchen naar de ‘Wipptaler Wanderweg’ die vanaf Innsbruck naar de Brennerpas blijkt te lopen. In de bossen zoek en vind ik weer mijn onafscheidelijke pelgrimsstok, de ‘bastone’. Enige steile klimmetjes trainen ons kuitenwerk in de bergen. We zullen er in Italië nog vaak plezier van hebben!

Vlak voor de pas begint het een beetje te regenen. We trekken onze regenpakken aan, maar na vijftien minuten kunnen die alweer uit. De regen is gestopt en zal zes weken lang niet meer terug komen….Gedurende de hele tocht lopen we onder een blauwe hemel bij 30-35 graden Celsius. Geluksvogels zijn we.

In zes dagetappes lopen we van de Brenner naar Bolzano. Een ongelooflijk mooi en panoramisch parcours, dat door het gezellige Vipiteno komt, langs de abdij van Novicella gaat en het mooie stadje Bressanone/Brixen aandoet. In Chiusa bekijken we het klooster van Sabione met de bijnaam 'de Acropolis van Tirol’ en klimmen we naar de hoogvlakte van Renon, erg beroemd om zijn ‘aardpiramides’. Van daaraf hebben we ook een prachtig uitzicht op de Dolomieten. Op de zesde dag dalen we vanuit het wintersportoord Collalbo - in een continue steile 1200 meter - naar het in de diepte gelegen romantische stadje Bolzano/Bozen met zijn vele, vele winkelarcades. Tijdens de daling gaat een belangrijke gesp van mijn rugzak kapot. In een goed gesorteerde sportzaak vind ik gelukkig een passende nieuwe.

In Bolzano nemen we de trein naar Trento en leggen zo de drie dagetappes tussen de wielen af, daar we die etappes twee jaar geleden al tijdens onze tocht op de Claudia Augusta hadden gelopen. Het is een prachtig heuvelachtig gebied langs de Adige vol druiven- en appelplantages en meertjes. Van het Meer van Kaltern en de bijbehorende wijn hebben we toen erg genoten.

Trento: het blijft een mooie stad om in te vertoeven met zijn oude Dom, mooie patriciërshuizen en musea. We brengen er de nacht door en stappen de volgende ochtend vroeg ons pad op voor de komende zes dagen door het spannende dal van de Brenta. Om 07.00 uur beginnen we onze klim in het Dal van de Brenta.!! Van 200 naar 700 meter hoogte over 6 kilometer. Meer dan 10% stijging gemiddeld dus. We lopen soms tussen de studenten, die zich over deze hellingen te voet (!) naar hun universiteitsgebouwen bewegen. Chapeau hoor. Eenmaal boven ‘heuvelt’ het pad langs de rivier door een prachtig landschap naar het Lago di Levico, ons eindpunt van de dag. In het heerlijk warme water temidden van de hoge bergen, zwemmen we er onze vermoeidheid weg. De dagen erna genieten we op ons parcours langs de Brenta van de bergen, de resten van de al 2000 jaar bestaande mijnen (tin, zilver, ijzer, kalk) en slapen onder andere op een sportcomplex en in een albergo op de vroegere grens tussen Italië en het Habsburgse Rijk. Overal langs de wegen lopen we op een roze gekleurd parcours: veel linten en andere versieringen herinneren eraan dat de Giro d’Italia er langs was gekomen. We binden een roze rozet op de rugzak van Riet om te vieren dat ‘onze’ Tom Dumoulin de Giro wint, terwijl wij daar lopen. Het rood-wit-blauw van Riets vlaggetje op de rugzak doet het natuurlijk geweldig. We ontmoeten twee fietsende stellen uit Nederland, op weg naar Rome. Nico en Margreet uit Hazerswoude (tevens lid van onze vereniging Pelgrimswegen naar Rome) en twee enthousiaste Tukkers uit Oldenzaal. Op een zandpad stopt er een Italiaanse mountainbikester voor een babbeltje. Ze is sindsdien Vriend op ons Facebook Vier vrije voeten. Een lieve mevrouw nodigt ons in alle hitte uit in haar huis voor een glas koel water en een kop koffie. Na zes boeiende dagen langs de Brenta bereiken we Padua, onze eerste rustplaats na vijftien dagen lopen. We trakteren onszelf daar op een koel appartement met wasmachine om alle kleding eens een goede wasbeurt te geven.

In Padua bezoeken we natuurlijk de Basiliek van Sint Antonius en gaan naar zijn tombe. Het is er als altijd druk met pelgrims. We steken in deze plechtige omgeving waar we al eerder waren, een kaarsje op voor een familie die we onderweg ontmoetten. Hun dochter van 27 jaar is recentelijk dodelijk verongelukt. Tijd voor bezinning op ons pelgrimspad.

Na een welverdiende rustdag vervolgen we ons parcours van Padua naar Bologna. We wijken daarvoor even af van de Via Romea en nemen het parcours van de Camino di Sant’Antonio, die van Padua via het Franciscaanse bolwerk La Verna naar Assisi loopt. De Romea gaat namelijk van Padua naar de kust van de Adriatische zee en laat Bologna links liggen, terwijl dat juist zo’n interessante stad is. Liepen we de twee dagen tot Padua al door de vlakte, ná Padua gaat het de Povlakte in. Best interessant om langs een Nederlands aandoend boezemwater te lopen, dat in de Middeleeuwen door de Venetianen is aangelegd en te zien, dat het bouwland zich net als ‘thuis’ meters onder het waterniveau bevindt. De streek heet dan ook “I Paesi Bassi d’Italia”. Minder interessant zijn de temperatuur en de lange kale dijken: 35 graden volle zon en geen schaduw over een dijkfietspad van 20 kilometer lengte. Maar ach, een pelgrim moet ook afzien, toch? We lopen zo twee dagen, slapen in Monsélice in een jeugdherberg die voor 50% is herbestemd tot vluchtelingenopvangplaats en in Rovigo in een oud B&B.

Aangezien we nog honderden kilometers hebben af te leggen naar Rome en er vast wel interessantere gebieden te betreden zijn dan de vlaktes waarin we nu al vier dagen rondwandelen, besluiten we verder de trein te nemen naar Ferrara en ons in die prachtige stad als toerist een dag te verpozen. Daarna treinen we door naar Bologna en herhalen dat recept. Van Bologna treinen we door naar de oude Romeinse stad Forli, waar we de draad van onze pelgrimstocht te voet weer oppakken. Van Forli naar Rome is het nog 450 kilometer door ruig gebied, waaronder de Apennijnen. We hebben er in Forli inmiddels 400 kilometer opzitten. We willen lopen tot Montefiascone, vier dagen vóór Rome, omdat we Montefiascone-Rome al eens gelopen hebben in onze eerste grote pelgrimstocht van ’s-Hertogenbosch via Rome naar Pietrelcina. Het wordt aanpoten om Montefiascone te halen.

Op 8 juni starten we ons volgende traject van 11 dagen richting Cortona. We gaan de Apennijnen nu in. Daar moeten we over de Passo di Serra van 1200 meter door eenzaam en wild gebied met wolven naar het klooster La Verna en vervolgens afdalen over de Poggio d’Acona naar de Etruskensteden Arezzo en uiteindelijk Cortona. 195 kilometers ultiem pelgrimeren liggen vóór ons. De overnachtingen bespreek ik tot vijf dagen vooruit, omdat we niet het risico willen lopen in het stille gebied geen overnachtingsplek te hebben. Toppunt van duimen is of we in de Rifugio del Lupo (‘de schuilplaats van de wolf’) kunnen overnachten. Een klein boerderijtje, twee kilometer buiten het parcours middenin de bossen, na de beklimming van de Passo di Serra. In the middle of nowhere. Het lukt gelukkig.

De eerste vier dagen zijn nog redelijk eenvoudig. Ik vind een nieuwe bastone bij de verlaten boswoning van een kluizenaar. En dat is mooi, want die zal ik hard nodig hebben. Het wordt een mooie tocht. Stevig klimmen we langs smalle paadjes en eten soms lekkere kersen van de fruitbomen die langs ons pad staan. Soms ploegen we door bouwland als boeren het pad in beslag hebben genomen, en klimmen over vermaledijde hekken van diezelfde asociale boeren, hopend dat we na het obstakel ons pad ergens kunnen vinden. Het lijntje in mijn mobieltje biedt steeds uitkomst! Gestaag dringen we de hoogten van de woeste Apennijnen binnen. Ergens onderweg hebben we een prachtig logies in een eigen appartement behorend bij een albergo langs de enige autoweg. Bij ons vertrek krijgen we een fles eigen gemaakte notenlikeur mee. Toe maar: kan er nog wel bij in onze toch al stevig bepakte rugzak. Onze aankomst in de Romeinse badplaats Bagno di Romagna voelt als het betreden van het basiskamp voor de komende twee dagen ontberingen: via de Passo di Serra naar het ‘dak van de Franciscaanse wereld’: La Verna. We genieten dan ook volop in dit leuke dorpje, dat helemaal versierd is met boven de hoofdstraat aan kabeltjes hangende uitgeklapte roze parapluutjes. Ook hier is de Giro doorgekomen! Als we de volgende ochtend door die hoofdstraat op pad zijn naar de bergen, worden we aangesproken door een lokale badgast die ons meeneemt naar een badgebouw met een oude Romeinse bron met zwavelwater en heel veel badgasten die zich verkwikken in erg gezond bronwater. We nemen een paar slokjes toverdrank en denken dat we dat wel kunnen gebruiken op de voor ons liggende expeditie. Dan gaat het echte werk beginnen en klauteren we langs smalle paden naar de Serra. Vlakbij de top moeten we een omweg maken omdat het oorspronkelijke pad over té smalle richeltjes loopt voor rugzakdragers. De omleiding is goed aangegeven en veilig bereiken we na een inspannende klimpartij door beukenbossen de top van de pas. Het is 33 graden, de zon schijnt onbarmhartig en het is benauwd. Maar….we zijn boven! Wát een uitzichten, wát een natuur. Stilte overal, geen menselijke wezens, niets. Het is indrukwekkend te beseffen dat hier ook Romeinse en Etruskische legers hebben gelopen. Aan het eind van de middag bereiken we onze Rifugio del Lupo en worden warm welkom geheten. De boerin kookt voor ons de heerlijkste gerechten van kalkoenen en groenten van het eigen bedrijf, begeleid door een vrolijk lokaal wijntje en water uit de eigen bron.

De volgende dag gaat het verder over het millennia oude pad, waarbij we soms door varens overgroeide stukken moeten ploegen. Maar elke keer komen we weer op het pad, dat als een waterscheiding tussen de rivieren de Tiber en Arno over de kam van de dichtbeboste heuvels loopt. Om half drie bereiken we La Verna en zijn we blij met ons bedje in de slaapzaal van het beroemde klooster waar nog tien andere pelgrims zijn ondergebracht. We bezichtigen en beleven de kloosterlijke historie en gezamenlijk eten we de avondmaaltijd en om tien uur ’s avonds ligt iedereen keurig rustig in zijn of haar bedje. De volgende ochtend staan we om half zes op en sluipen stilletjes om half zeven het klooster uit, dat grotendeels nog in rust verkeert omdat het ontbijt pas om acht uur wordt opgediend. Voor ons te laat in de hete dag die we weer tegemoet gaan. Later, in een campingrestaurantje, kunnen we toch nog ontbijten en we vervolgen onze tocht gelaafd en wel door het stille en groene dal van de Arno. Door alle klimpartijen hebben onze schoenen het zwaar te verduren gehad. De hakken zijn sowieso aan vervanging toe. Loslatende stiknaden lijm ik vast met secondenlijm uit de supermarkt. Werkt prima. In Arezzo vinden we Gode zij dank een schoenmaker die nog dezelfde middag onze hakken wil vervangen. We kunnen de schoenen ’s avonds om zeven uur ophalen. Mazzel! In twee dagen lopen we door de heuvels met soms venijnige klimmetjes en struikgewas van Arezzo naar Cortona. Ook een prachtige Etruskische stad waarvan we erg genieten. En we genieten er van een welverdiende rustdag na 195 kilometer en elf stevige pelgrimsdagen door een voor ons en vele anderen onbekend gedeelte van Noordoost Toscane en inmiddels Umbrië.

De laatste acht etappes naar Montefiascone/Rome. We hebben nu 600 kilometer afgelegd en hebben er nog 160 voor de boeg tot Montefiascone. Daarna de trein naar Rome/Monte Mario voor de laatste 15 kilometer de stad in naar het Sint Pietersplein via een route die we in 2013 niet gelopen hebben.

We zullen van Cortona door Etruskisch gebied lopen; langs het Meer van Trasimeno waar Hannibal met zijn olifanten in 217 v.Chr. de Romeinen in de pan hakte en via het ten dode opgeschreven stadje Cività di Bagnoregio en Orvieto naar het bij het Meer van Bolsena oud-Etruskisch en op een kruispunt van pelgrimswegen gelegen stadje Montefiascone. Historie dus.

Het wordt een mooie panoramische tocht met naar het westen toe schitterende uitzichten op de heuvels waardoor we onze eerste pelgrimstocht gelopen hebben. Steden als Montepulciano, Montefellonico, Chiusi en aan de kim Radicofani en San Quirico d’Orcia, blijven dagen lang in ons gezichtsveld. Vóór onze voeten is het soms wat minder fraai. Struiken, stof en overgroeide paden. Ze voeren ons wel door mooie dorpen als Pozzuolo, Paciano, Città delle Pieve, Ficulle, Orvieto en Bagnoregio. Ergens op die lijn bereiken we een historisch punt op onze pelgrimagelijn sinds 2013: de 5000 kilometer! Feest en prosecco dus ’s avonds! We zijn inmiddels in de regio Lazio aangekomen. De vijfde regio sinds ons vertrek op de Brennerpas. Vlàk voor Montefiasone worden we opeens luid toegeroepen door een stel mountainbikers: “Hay, pellegrini, pellegrini!!!!” Het blijkt de schrijver te zijn van het routeboek van deze Via Romea Germanica, Simone Frignani. Hij is met een stel makkers het parcours en de bebording aan het controleren. Wát een toeval. Een live interview op Radio Via Francigena vanuit de struiken waarin we ons bevinden volgt en uiteraard wisselen we onze ervaringen op de door hem uit de archieven opgetoverde route met hem uit. In Montefiascone genieten we van de oude kerken, waarvan er één, de XIe-eeuwse San Flaviano, op de splitsing staat van twee Romeinse hoofdroutes door Europa: de Via Francigena naar Engeland (Canterbury) en de Via Romea Germanica naar Noord-Duitsland (Stade/Hamburg). In Montefiascone hebben we onze laatste overnachting voordat we de trein nemen naar het station Monte Mario in Rome. We willen de officiële route de stad in beproeven. Destijds liepen we ‘gewoon’ de historische Via Trionfale af zoals alle Romeinse legers ooit deden. Nu lopen we ‘achterom’ de Monte Mario op en bereiken een mooi uitzichtpunt over de stad. Via ettelijke haarspeldbochten met grove keien dalen we vervolgens struikelend af naar de stad en komen uit op een parkeerterrein met teveel auto’s. Geen aanrader. Volg maar gewoon de Trionfale als je ooit Rome gaat binnenlopen….

Onze 760 kilometer zitten erop als we het Sint Pietersplein oplopen. Het is een hele, hele mooie ervaring geweest deze Via Romea Germanica. Wel zwaar, maar ook enerverend qua diversiteit aan landschappen en culturen. Het is beslist geen route voor beginnende pelgrims, maar voor de ervaren lopers is het een mooie uitdaging!

Voor de fietsers: het routeboek is ook voor fietsers geschreven. Maar gebruik wel een mountainbike voor je tocht!

« 1 van 121 »